verbittering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bit·te·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verbittering verbitteringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

verbittering v [2]

  1. het boos en verongelijkt zijn
    • In de reactie van Rolink klinkt verbittering door over het persbericht dat X’ woordvoerder Jan Driessen gisteren naar buiten bracht. „Hij heeft een taakstraf opgelegd gekregen, aldus Tessa Rolink. „Ik wil niets van iemand die zo liegt en bedriegt en geen bedrag kan goedmaken wat hij heeft gedaan.”[3] 
    • "Een ongelofelijk tragische figuur", zegt Rob Hornstra. De foto die hij van Ivlojev maakte, hangt nu in het Rijksmuseum. "Sinds de aanslag heeft hij nooit meer iets gehoord had van zijn collega’s. Het regiem heeft hem afgescheept met een minimal pensioen. 'Ik heb me opgeofferd voor een stel lafaards', zegt hij nu. Zijn verbittering was afgrondelijk groot."[4] 
    • Het was een verbijsterend moment voor ons, jonge, onvoorwaardelijke fans van David Bowie, waarbij verdriet en verbittering om voorrang vochten. Op 3 juli 1973 sloot ons idool zijn tournee Ziggy Stardust and the Spiders from Mars-tournee af in het vermaarde Hammersmith Odeon in Londen. Voor zijn laatste toegift sprak hij de ijselijke woorden: "Deze show zal het langst in onze herinnering blijven. Het is niet alleen het einde van de tournee, maar ook onze laatste show ooit..."[5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. verbittering op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Telegraaf J. van den Heuvel 17 maart 2017
  4. de Telegraaf Herman Haverkate 10 oktober 2017
  5. Tubantia Arno Gelder 12 januari 2017
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be