uitgever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘iemand die beroepsmatig geschriften vermenigvuldigt en verkoopt’ voor het eerst aangetroffen in 1566 [1]
  • Naamwoord van handeling van uitgeven met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord uitgever uitgevers
verkleinwoord uitgevertje uitgevertjes

Zelfstandig naamwoord

uitgever m

  1. (beroep), (media) een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
    • Deze uitgever specialiseert zich in wetenschappelijke publicaties. 
     Dank aan de auteurs en uitgevers die overname toestonden (zie voor bijzonderheden 'Bronnen' aan het einde van het boek). De oorspronkelijke spelling hiervan is zoveel mogelijk gehandhaafd. Van enkele stukken bleken, tot onze spijt, auteur en uitgever niet te achterhalen.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen