uitgeven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·ven
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uitgeven uitgevend
uitgave
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitgeven
gaf uit
uitgegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

uitgeven

  1. overgankelijk geld ~: financiële middelen aanspreken
    • Ik heb toch niet zo veel geld uitgegeven. 
     De PCT zal misschien niet al je problemen oplossen, maar het zal je een nieuw perspectief op je leven geven waardoor je hopelijk een aantal zaken zult kunnen bijstellen, zoals: minder geld uitgeven, een minder volle agenda, minder fastfood eten en meer tijd voor je familie en vrienden.[2]
  2. overgankelijk een geschrift in drukvorm verspreiden
    • Dit boek is al in 1934 uitgegeven. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen