Naar inhoud springen

uitdrukkelijk

Uit WikiWoordenboek
  • uit·druk·ke·lijk
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen uitdrukkelijkuitdrukkelijkeruitdrukkelijkst
verbogen uitdrukkelijkeuitdrukkelijkereuitdrukkelijkste
partitief uitdrukkelijksuitdrukkelijkers-

uitdrukkelijk

  1. met nadruk, op zo'n manier dat het duidelijk moet zijn
     Ook werd gebroken met de opvatting dat de koning alle macht toekwam die hem niet uitdrukkelijk door de grondwetgever was ontzegd.[3]
     'Waar God heen is?' riep hij, 'Ik zal het jullie zeggen! Mäj hebben hem gedood - jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaarsl' Halverwege zijn toespraak herhaalt hij nog een keer diezelfde boodschap: 'God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedoodl' Niet alleen hebben we 'God' niet meer nodig, we hebben hem zelfs uitdrukkelijk uit de weg geruimd.[4]
    • De docent had uitdrukkelijk gezegd dat het huiswerk op tijd moest worden ingeleverd, toch hadden lang niet alle leerlingen dat gedaan. 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]