uitdrukken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·druk·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdrukken
drukte uit
uitgedrukt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitdrukken

  1. wederkerend zich ~: een gevoel of gedachte in taal verwoorden
    • Hij drukte zich uit in niet mis te verstane woorden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.