breiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brei·den

Werkwoord

vervoeging van
breien

breiden

  1. meervoud verleden tijd van breien
    • Wij breiden. 
    • Jullie breiden. 
    • Zij breiden. 
  2. (verouderd) breder maken[1]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal