tinne

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Toren met tinnen.
Uitspraak
Woordafbreking
  • tin·ne
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tinne tinnen
verkleinwoord tinnetje tinnetjes

Zelfstandig naamwoord

tinne v/m

  1. (verouderd) elk van de stukjes onderbroken muur bovenaan een getande wand van een gebouw of vestingwerk, historisch bedoeld als beschutting voor verdedigers die de onderbrekingen konden gebruiken om de aanvallers te beschieten
  2. (figuurlijk) hoogste deel van een bouwwerk
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

34 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen