windsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kind ingebakerd in windsels
Uitspraak
Woordafbreking
  • wind·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord windsel windsels
windselen
verkleinwoord windseltje windseltjes

Zelfstandig naamwoord

windsel o [2]

  1. een lap stof die men ergens omheen kan winden
    • Kunstenares Ans Markus presenteert dit jaar tijdens de Leerdamse Glasdagen (7 tot en met 9 september) haar kristallen masker met windsels. Het masker met windsels van Markus wordt uitgevoerd in helder kristal, rookgrijs en gematteerd kristal. De kunstenares maakte al eerder een glazen buste met windsels.[3] 
    • Elk detail herinner ik me: het vlammenwerpermannetje had brandstoftankjes op zijn rug met slangetjes en drukmetertjes, en de Japannertjes hadden van die windsels rond hun onderbeentjes, waar ik uren naar kon kijken. Dat alles in plastic poppetjes niet groter dan mijn pink.[4] 
    • Als Sanne Wevers haar oefening heeft volbracht en de mooiste lach aan jury en publiek heeft getoond, sprint de vicewereldkampioen op balk naar haar sporttas. De turnster graait dan tussen haar pakjes, handdoeken, make-up, schoentjes en windsels, op zoek naar haar boekje.[5] 
  2. (medisch) verband
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. windsel op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Telegraaf CAROLIEN VLIETSTRA 08 nov. 2012
  4. Volkskrant Thomas van Luyn 13 mei 2017
  5. Volkskrant 9 augustus 2016