stijl

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stijl
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wijze van uitdrukken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1393 [1]
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verticale paal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord stijl stijlen
verkleinwoord stijltje stijltjes

Zelfstandig naamwoord

stijl m

  1. wijze waarop men iets doet
    • De samenwerking was succesvol en moet in dezelfde stijl worden voortgezet. 
     In het Palais des Bonbons et du Nougat in Montélimar is met klassieke auto's een file opgesteld. In Pouilly-sur-Loire staat Les 200 Bornes, een pompstation annex hotel-restaurant in oude stijl.[2]
  2. post, spijl
  3. (plantkunde) buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen