Naar inhoud springen

style

Uit WikiWoordenboek
  • style
  • sty·le (aanvoegende wijs)
vervoeging van
stylen

style

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stylen
    • Ik style. 
  2. gebiedende wijs van stylen
    • Style! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stylen
    • Style je? 
  4. aanvoegende wijs van stylen


style mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord styl


enkelvoud meervoud
style styles

style

  1. stijl
  2. manier, wijze
  3. (beschrijvende plantkunde) stijl; buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  style     le style     styles     les styles  

style m

  1. (cultuur) stijl, manier van uitdrukken, vormgeven (in de literatuur, kunst, architectuur, mode, enz.)
  2. aard van een compositie
  3. woordenschat, uitdrukkingen, jargon van een bepaald taalgebruik in de techniek, administratie, e.d.
  4. gedrag, maniërisme van een persoon
  5. (spreektaal) type man of vrouw (tot wie men zich aangetrokken voelt), soort (van eten, muziek)
  6. (beschrijvende plantkunde) stijl; buisvormige, middelste gedeelte van de stamper