gear

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Angelsaksisch

Uitspraak
  • IPA: /jæ:ar/

Zelfstandig naamwoord

ġēar o

  1. jaar
    «Ðis wæs feorþes geares his rices.»
    Dit was het vierde jaar van zijn heerschappij.


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
gear gears [2]

Zelfstandig naamwoord

gear

  1. toerusting, toebehoor, spul
    «I need that gear to do the job.»
    Ik heb dat spul nodig om het karwei te klaren.
  2. versnelling, tandrad
    «The gears are not in good condition.»
    De versnellingsbak is niet in goede staat.