spullen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spul·len
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

spullen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spul

spullen

  1. het toebehoor van iemand
    • Ik heb je spullen in de kast gezet. 
     De zon was nog niet op en met mijn hoofdlamp checkte ik nog een laatste keer al mijn spullen om te zorgen dat ik niets zou vergeten.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

spullen

  1. meervoud van spul


Veluws

Zelfstandig naamwoord

spullen

  1. meervoud van spul