spat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spat spatten
verkleinwoord spatje spatjes

Zelfstandig naamwoord

spat v/m

  1. vochtvlek die het resultaat is van spatten
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Geen spat
Helemaal niets
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
spatten

spat

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van spatten
  2. gebiedende wijs van spatten

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


Engels

Werkwoord

spat

  1. verleden tijd enkelvoud en meervoud van spit, "spugen"


Taroko

Hoofdtelwoord

spat

  1. vier; twee plus twee
Synoniemen