lumbago

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lum·ba·go
enkelvoud meervoud
naamwoord lumbago -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lumbago v/m

  1. (medisch) spit, lendenpijn
Vertalingen

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie