soberheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·ber·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord soberheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

soberheid v [1]

  1. zonder overbodige overdaad of overmaat
    • De Parijse modeweek speelde zich dit keer af in relatieve soberheid: vrij weinig celebrity’s op de eerste rij, relatief simpele decors. Behalve dinsdagochtend bij Chanel, waar Karl Lagerfeld midden in het Grand Palais een gigantische raket had laten optrekken. En verdomd, aan het einde van de show steeg hij op. Dat wil zeggen: de onderste helft schoof, omgeven door vlammen en rook, over de bovenste.[2] 
    • De soberheid is bij Mercedes-Benz verleden tijd. Hij is me bijna te luxe. De Estate heeft altijd een automaat met negen versnellingen, altijd elektrische ramen, altijd airconditioning. Achter de schermen waakt een leger veiligheidssystemen continu over het vege lijf. Een virtuele verkeersassistente maakt een komisch pro-actieve indruk. „Einde file vooruit”, zegt een computervrouwenstem als ik op de A6 weer gang in het verkeer zie komen. Maar mevrouw, ik ben niet blind! En wie bent u eigenlijk?[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Milou van Rossum 8 maart 2017
  3. NRC Bas van Putten 11 maart 2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be