nuchterheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuch·ter·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nuchterheid nuchterheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nuchterheid v

  1. in een staat zijn van nog niet gegeten hebbend
    • Het suikergehalte in het bloed was zo hoog dat de nuchterheid van de diabetes patiënt twijfelachtig was. 
  2. geen alcohol gedronken hebbend
    • Het alcoholslot moest de nuchterheid van de bestuurder garanderen. 
  3. rustig en bedaard zijnd
    • Zijn nuchterheid maakte het moeilijk om echte ruzie met hem te krijgen. 
  4. onvatbaar zijn voor allerlei emotionele stemmingen, ongevoeligheid
    • Feiten zijn goed voor onze nuchterheid, maar we hebben in de eerste plaats te maken met verschillende visies op wat wij een goede samenleving vinden. Omdat er geen sprake is van een echt debat, van echt engagement, blijven we langs elkaar heen roepen en kan iemand als Rijxman twee doelgroepen toespreken, zonder zich rekenschap te geven van de spanningen die haar betogen in zich dragen. [1] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Bas Heijne 30 december 2016
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be