smokkelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Smokkelen is afbraak, een reportage 18 April 1947.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smok·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘heimelijk vervoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1615 [1]
  • frequentatief gevormd uit smuiken met het achtervoegsel -el
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smokkelen
smokkelde
gesmokkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

smokkelen

  1. overgankelijk wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
    • Er werd in het verleden in Zeeuws-Vlaanderen veel gesmokkeld. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen