sloffig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slof·fig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen sloffig sloffiger sloffigst
verbogen sloffige sloffigere sloffigste
partitief sloffigs sloffigers -

Bijvoeglijk naamwoord

sloffig [2]

  1. met weinig aandacht, kracht of energie
    • De voorlaatste Lotusphere dag. De vermoeidheid begint bij de congresgangers meer en meer zichtbaar te worden: geeuwen, dikke blauwe wallen onder de ogen, wazige blikken, een sloffige stap… De laatste loodjes wegen duidelijk het zwaarst. [3] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. sloffig op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. De Standaard 03/02/2011 om 09:19 door Tom Herbots X marks the spot
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be