schot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Schot

Nederlands

Uitspraak
1 enkelvoud meervoud
naamwoord schot schoten
verkleinwoord schotje
schootje
schotjes
schootjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord schot schotten
verkleinwoord schotje schotjes
3 enkelvoud meervoud
naamwoord schot schoten
verkleinwoord - -


Woordafbreking
  • schot
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

schot

  1. o: het afvuren van een projectiel
  2. o: een afscheidende tussenwand
     De tafels zijn hoopvol gedekt voor het diner, maar truckersrestaurant Le Mistral straalt een zekere mismoedigheid uit. Een kapotte ruit is vervangen door een houten schot. Op de parkeerplaats ter grootte van een voetbalveld staat een handjevol vrachtwagens.[2]
  3. (veeteelt) v: vrouwelijk rund dat tweemaal gekalfd heeft
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen