startschot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

startschot
Uitspraak
Woordafbreking
  • start·schot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord startschot startschoten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

startschot o [1]

  1. een schot dat het begin van de wedstrijd aangeeft
    • Blakend van vertrouwen was al bij het inrijden elke klap raak. Als een roofdier gleed de 30-jarige schaatsster over het ijs. Na het startschot direct op jacht, een eerste kruising over haar Russische tegenstandster Natalia Voronina heen, eerste volle ronde in een ‘mannentijd’ van 29.8 seconden. „Het begin ging heel lekker”, blikte Wüst terug. Pas in de laatste twee ronden moest het ritme omhoog om het verval te beperken. Zoals Gianni Romme in zijn beste tijd vocht ze zich naar het einde. „Op het laatst ging ik helemaal kapot.” [2] 
  2. (figuurlijk) sein dat een activiteit is begonnen
    • Aanleiding is de bekentenis van de Italiaanse politicus Luca Volonte, dat hij 2,3 miljoen euro aan betalingen ontving, deels aan de vooravond van een stemming in 2013 over mensenrechtenschendingen in Azerbeidzjan. Het land wist toen een veroordeling te voorkomen. Dit was tevens het startschot voor een nieuwe, gewelddadige campagne tegen dissidenten in Azerbeidzjan. [3] 
Hyperoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Maarten Scholten 9 februari 2017
  3. NRC Stéphane Alonso 30 januari 2017