overschot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·schot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overschot overschotten
verkleinwoord overschotje overschotjes

Zelfstandig naamwoord

overschot o

  1. wat er overblijft, de rest
    • Het overschot aan eten werd aan de hond gevoerd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • het stoffelijk overschot
lichaam van overledene (meer respectvol dan lijk)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie