schampschot
Uiterlijk
- Geluid: schampschot (hulp, bestand)
- IPA: / ˈsxɑmpsxɔt / (2 lettergrepen)
- schamp·schot
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schampschot | schampschoten |
| verkleinwoord |
- een schot dat het doel maar net geraakt heeft zonder erin door te dringen, een afglijdend schot
- Daarbij kreeg één man drie kogels in het lichaam, raakte een tweede gewond aan de heup en liep een derde een schampschot op. Het eerste slachtoffer werd in kritieke toestand overgebracht naar het ziekenhuis maar zou intussen buiten levensgevaar zijn. [3]
- De Nederlandse oorlogsverslaggever Bud Wichers is gisteravond gewond geraakt tijdens een beschieting door een scherpschutter in de Iraakse stad Kirkuk. Hij liep een schampschot op aan zijn arm. [4]
1. afglijdend schot
- Het woord schampschot staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "schampschot" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ schampschot op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ de Standaard 27/mei/2017 door tbo
- ↑ Tubantia 10-januari-2017
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 11
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 95 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %