afschot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afschot afschotten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afschot o

  1. (bouwkunde) een bewust aangebrachte helling van een vlak of leiding voor het doen af- of weglopen van vloeistof
    • Er was onvoldoende afschot waardoor het water op het dak bleef staan. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen