schoondochter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon·doch·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘behuwddochter’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • afgeleid van dochter met het voorvoegsel schoon-
enkelvoud meervoud
naamwoord schoondochter schoondochters
verkleinwoord schoondochtertje schoondochtertjes

Zelfstandig naamwoord

schoondochter v

  1. (familie) de vrouw van een zoon of dochter
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen