bru
Uiterlijk
- IPA: /bɹu:/
brū v
- van Laatlatijn brutis uit de Balkan, daar geattesteerd sinds de derde eeuw n.C., van Gotisch *bruþs "jonge getrouwde vrouw"; in het huidig Frans is het woord belle-fille couranter [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| bru | le bru | brus | les brus |
bru m
- (familie) schoondochter; de vrouw van een dochter of zoon
- vrouwelijke vorm van gendre
- belle-fille [1]
- ↑ bru (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.