Naar inhoud springen

schande

Uit WikiWoordenboek
  • schan·de
  • Via het Middelnederlands van het Ohd. scanta. Oudere wortel in het Protogermaans: -scandō-/-skamdō- (waar ook schamen en schenden van zijn afgeleid).[1] In de betekenis ‘oneer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1201.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schande schandes
verkleinwoord schandetje schandetjes

deschandev/m

  1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
    • De schande was te groot. 
    • Het is geen schande iets voor je eigen taal te doen. 
     ' De adem stokte hem in de keel en tot zijn schande kon hij niet meer uit zijn woorden komen.[3]
  • Door schade en schande wordt men wijs
Men leert vooral van de dingen die eerder misgingen
  • Iemand te schande maken
Zorgen dat iemand een slechte reputatie krijgt
 En aan de linkerzijde had je een zootje ongeregeld dat - ondanks de plakkaten die Harold in Malaga had zien hangen, waarop hun werd gesmeekt om hun politieke beweging en vakbonden niet langer te schande te maken en te stoppen met hun wreedheden - op jacht ging naar gepensioneerde politieagenten, sympathisanten van de katholieke kerk, mensen van wie ze wisten dat ze rijk waren en mensen van wie ze dachten dat ze rijk waren.[3]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]