ruziën

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ru·ziën, ru·zi·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ruziën
ruziede
geruzied
zwak -d volledig

Werkwoord

ruziën

  1. inergatief ruzie maken.
    • Die twee zijn al heel de dag aan het ruziën. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.