ruziezoeker
Uiterlijk
- Geluid: ruziezoeker (hulp, bestand)
- IPA: / ˈryziˌzukər / (4 lettergrepen)
- ru·zie·zoe·ker
- samenstelling van ruzie en zoeker
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ruziezoeker | ruziezoekers |
| verkleinwoord | ruziezoekertje | ruziezoekertjes |
de ruziezoeker m
- iemand die ruzie zoekt of maakt
- Het woord ruziezoeker staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ruziezoeker" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 11
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 96 %