Naar inhoud springen

roam

Uit WikiWoordenboek
  • roam
  • van het Engels
vervoeging van
roamen

roam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roamen
    • Ik roam. 
  2. gebiedende wijs van roamen
    • Roam! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roamen
    • Roam je? 


  • Afkomstig van het Middelengelse woord romen.
enkelvoud meervoud
roam roams

roam

  1. omzwerving, (het) zwerven
vervoeging
onbepaalde wijs to  roam 
he/she/it  roams 
verleden tijd  roamed 
voltooid
deelwoord
 roamed 
onvoltooid
deelwoord
 roaming 
gebiedende wijs  roam 

roam

  1. onovergankelijk dolen, dwalen, omzwerven, ronddolen, ronddwalen, zwerven
    «It was Jim's wish his ashes to be scattered to the sea to roam the South Pacific.»
    Het was Jims wens dat zijn as in de zee verstrooid werd om in de zuidelijke Stille Zuidzee rond te zwerven.
  2. onovergankelijk rondreizen, rondtrekken, trekken [3]
  3. overgankelijk landlopen, rondzwalken
  • roam about
  • roam around
  • to roam the world
door de werled zwerven / over de wereld zwerven