dolen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dolen
doolde
gedoold
zwak -d volledig

Werkwoord

dolen

  1. inergatief doelloos, richtingloos rondlopen, dwalen
    • Het jonge gezin doolde dagenlang over straat. 
    • 's Nachts doolde hij rusteloos door het stille huis. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.