inrijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·rij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inrijgen
reeg in
ingeregen
klasse 1 volledig

Werkwoord

inrijgen [1]

  1. overgankelijk in iets anders rijgen
  2. overgankelijk met een rijgdraad nauwer maken

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen