regna
Uiterlijk
rēgnā
- tweede persoon enkelvoud imperativus praesens actief van rēgnāre
- reg·na
regna
regna
- tegenwoordige tijd van rande (betekenis: tellen, rekenen, beschouwen)
- [1-2]: regnet
- reg·na
| stellend | vergrotend | overtreffend | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald (sterk) |
m/v enkelvoud | regna regnd |
||
| o enkelvoud | regna regnt | |||
| meervoud | regna regnde | |||
| bepaald (zwak) |
enkelvoud en meervoud |
regna regnde |
||
regna
regna
- onbepaalde wijs, tweede vorm naast regne, zie aldaar
regna
regna
- gebiedende wijs van regna
regna
regna
- gebiedende wijs van regne
- reg·na
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
supinum |
| regna |
regnade |
regnat |
| volledig | ||
regna
Categorieën:
- Woorden in het Latijn
- Woorden in het Noors
- Woorden in het Noors van lengte 5
- Werkwoordsvorm in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Woorden in het Nynorsk van lengte 5
- Woorden in het Nynorsk met audioweergave
- Woorden in het Nynorsk met IPA-weergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nynorsk
- Werkwoord in het Nynorsk
- Werkwoordsvorm in het Nynorsk
- Woorden in het Zweeds
- Woorden in het Zweeds van lengte 5
- Woorden in het Zweeds met audioweergave
- Werkwoord in het Zweeds