Naar inhoud springen

raak

Uit WikiWoordenboek
  • raak
  • In de betekenis van ‘het doel treffend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1641 [1] [2]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen raakrakerraakst
verbogen rakerakereraakste
partitief raaksrakers-

raak

  1. zijn doel treffend
    • Die kerel deelde rake klappen uit. 
     Maar goed, toen Paul en Emil ons naderden op dat zonnige terras in Aken, was het meteen raak tussen Paul en Marjo.[3]
     Ik bleef het proberen maar gooide pas na een kwartier raak.[4]
  2. toetreffend, ad rem
    • Zij maakt soms de raakste opmerkingen. 
  1. zijn doel treffend
     Ik was erbij, op die prachtige lentedag in 1997, en zag hoe Cupido in één keer raak mikte.[3]
raak 1: hark
enkelvoud meervoud
naamwoord raak raken
verkleinwoord raakje raakjes

deraakv

  1. (landbouw)(verouderd) hark

deraakm

  1. (gereedschap)(verouderd) soort pook, ijzeren staaf aan het eind haaks omgebogen
vervoeging van
raken

raak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raken
    • Ik raak. 
  2. gebiedende wijs van raken
    • Raak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raken
    • Raak je? 
     'Als je blijft vluchten voor je pijn, raak je alleen maar verder verwijderd van jezelf.[7]
     Ik raak steeds meer buiten adem.[7]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]