raak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • raak
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen raak raker raakst
verbogen rake rakere raakste
partitief raaks rakers -

Bijvoeglijk naamwoord

raak

  1. zijn doel treffend
    • Die kerel deelde rake klappen uit. 
  2. toetreffend, ad rem
    • Zij maakt soms de raakste opmerkingen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
raak 1: hark
enkelvoud meervoud
naamwoord raak raken
verkleinwoord raakje raakjes

Zelfstandig naamwoord

raak v

  1. (landbouw)(verouderd) hark
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

raak m

  1. (gereedschap)(verouderd) soort pook, ijzeren staaf aan het eind haaks omgebogen

Werkwoord

vervoeging van
raken

raak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raken
    • Ik raak. 
  2. gebiedende wijs van raken
    • Raak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raken
    • Raak je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen