puppy

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pup·py
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘jonge hond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1950 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord puppy puppy's
verkleinwoord puppy'tje puppy'tjes

Zelfstandig naamwoord

puppy m

  1. (zoogdieren) pasgeboren hond, jonge hond
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen