puinzooi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • puin·zooi
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord puinzooi
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

puinzooi v/m

  1. een ongeorganiseerde hoeveelheid zaken die vaak ook nog kapot zijn of kapot gaan
    • We zijn lui in het bijhouden van ons digitaal archief, blijkt uit onderzoek van Cathy Marshall, topresearcher bij Microsoft. Hier eens een back-up, daar een kopietje: veel systeem zit er niet in. „De meesten maken er een puinzooi van”, zegt ook Martijn van den Broek, hoofd Collecties bij het Nederlands Fotomuseum. „Ze denken: ik heb die foto ergens geplaatst, dus die staat in mijn feed, die kan ik online terugvinden. Dat is naïef, het is schijnveiligheid.” [1] 
Synoniemen
Vertalingen

'

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC