janboel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jan·boel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord janboel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

janboel v/m

  1. wanordelijke omstandigheden, een rommel
    • De hypotheken in het Amerika van George Bush zijn een janboel. 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Verwijzingen