ploegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ploe·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ploegen
ploegde
geploegd
zwak -d volledig

Werkwoord

ploegen

  1. ergatief zwoegend, met grote moeite zich ergens heen bewegen
    • Ze waren eindelijk door de zandvlakte geploegd en kwamen nu op hardere grond. 
     Pogue en ik vlogen vooruit en raakten verwikkeld in een wedstrijd wie het snelste door de drassige grond kon ploegen.[1]
  2. inergatief zwoegend zich met grote moeite voortbewegen
    • Er werd geploegd en geploeterd. 
  3. overgankelijk land met de ploeg bewerken
    • De akker was al geploegd. 
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Daar valt niet mee te eggen of te ploegen
  • Met andermans kalf ploegen
terwijl je de hulp van een ander gebruikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt
  • Op rotsen ploegen
iets doen wat vergeefse moeite is
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

ploegen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ploeg

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be