ploegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ploe·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ploegen
ploegde
geploegd
zwak -d volledig

Werkwoord

ploegen

  1. ergatief zwoegend, met grote moeite zich ergens heen bewegen
    • Ze waren eindelijk door de zandvlakte geploegd en kwamen nu op hardere grond. 
  2. inergatief zwoegend zich met grote moeite voortbewegen
    • Er werd geploegd en geploeterd. 
  3. overgankelijk land met de ploeg bewerken
    • De akker was al geploegd. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

ploegen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ploeg

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie