omploegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ploe·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omploegen
ploegde om
omgeploegd
zwak -d volledig

Werkwoord

omploegen

  1. overgankelijk door ploegen de bovenste laag aarde van een akker omkeren
    • Dit stuk land moet nog omgeploegd worden. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.