pindakaas

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pin·da·kaas
enkelvoud meervoud
naamwoord pindakaas pindakazen
verkleinwoord - -
Woordherkomst en -opbouw
  • [zelfstandig naamwoord] samenstelling van pinda (zelfstandig naamwoord) en kaas (zelfstandig naamwoord), vanaf de 18e eeuw gebruikt in Suriname voor een vergelijkbaar product met een iets steviger consistentie en wat pittiger smaak dat in het begin van de 20e eeuw in Nederland is geïntroduceerd en weer werd overvleugeld door de in de VS ontwikkelde smeerbare pindakaas [1][2]
  • [bivoeglijk naamwoord] verbastering in Suriname van de familienaam "Pinchas", mogelijk onder invloed van Portugees pinda "geldgebrek" [1]

Zelfstandig naamwoord

pindakaas m

  1. (voeding) een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
    • Hij had gisteren pindakaas op zijn brood. 
    • De kans is groot dat ook pindakaas binnenkort op de lijst van verboden middelen komt te staan. Dat blijkt uit geheime documenten die in het bezit zijn van HNS. De gevleugelde uitspraak 'Op een boterham met pindakaas kun je de Tour niet winnen' heeft dopingjagers wakkergeschud. 'Pindakaas is minder onschuldig dan het lijkt', aldus een anonieme dopingexpert (H. Ram). [3] 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
stellend
onverbogen pindakaas
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

pindakaas

  1. (verouderd) verarmd (van personen of families)
Uitdrukkingen en gezegden
  • helaas pindakaas
berustend commentaar op een tegenvaller
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Donselaar, J. van "Pindakaas, een oud woord uit Suriname" (2005) in: Trefwoord op website: ivdnt.org; geraadpleegd 2017-01-03
  2. etymologiebank.nl
  3. Volkskrant Directie 12 maart 2016 Satirisch artikel