pier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pier pieren
verkleinwoord piertje piertjes

Zelfstandig naamwoord

pier m

  1. (dierkunde) een regenworm
  2. (waterstaat) een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
  3. overdekte loopbrug van terminal naar de vliegtuigen op een luchthaven
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Werkwoord

vervoeging van
pieren

pier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieren
    • Ik pier. 
  2. gebiedende wijs van pieren
    • Pier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieren
    • Pier je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
pier piers

Zelfstandig naamwoord

pier

  1. pier
  2. pijler
  3. penant