pijler

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: peiler

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pij·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pijler pijlers
verkleinwoord pijlertje pijlertjes

Zelfstandig naamwoord

pijler m

  1. zuil, pilaar
    Dat zijn de pijlers waarop de brug komt te rusten.
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl