otium

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oti·um
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord otium -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

otium o

  1. tijd waarin je rustig kan doen waar je zin in hebt
    • Kossmann biedt ons daarbij prachtige overzichten en schetsen. Maar men zou hopen, dat hij het otium hem nu gegeven zou wijden aan de herziening van zijn boek Politieke theorie in het zeventiende-eeuwse Nederland, dat daartoe slechts een geringe titelwijziging behoeft: zoiets als ‘Politieke theorie in Nederland sinds de zeventiende eeuw’! [2]

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
26 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Zelfstandig naamwoord

ōtium o

  1. vrije tijd
  2. rust, vrede
Uitdrukkingen en gezegden
  • per otium
    • op zijn gemak
  • se referre in otium
    • zich uit het openbare leven terugtrekken
Verbuiging