ophangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van hangen met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ophangen
hing op
opgehangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

ophangen

  1. (overgankelijk) iets in een hangende positie bevestigen
    Ik heb je schilderijtje opgehangen.
  2. (inergatief) een telefoongesprek beëindigen
    Hij werd kwaad en hing op.
  3. (overgankelijk) aan de galg opknopen
    Hij werd vroeg in de ochtend opgehangen.
Vertalingen