omhelzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Omhelzen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·hel·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omhelzen
omhelsde
omhelsd
zwak -d volledig

Werkwoord

omhelzen

  1. (overgankelijk) de armen om iemand slaan
    Hij wordt hartstochtelijk omhelsd door een bewonderaarster.
  2. (overgankelijk) aannemen
    Dat twee van zijn kinderen de kloosterlijke staat omhelsden, heeft hem lang verdroten.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. http://web.archive.org/web/20071008052652/http://www.maatschappijdernederlandseletterkunde.nl/mnl/levens/71-72/bomans.htm