omarmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ar·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omarmen
omarmde
omarmd
zwak -d volledig

Werkwoord

omarmen

  1. overgankelijk de armen om iemand heen slaan
    • Hij omarmde zijn geliefde hartstochtelijk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.