oeros

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Oeros

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oer·os
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in 1852 [1]
  • Afgeleid van os met het voorvoegsel oer- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord oeros oerossen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

oeros m

  1. (zoogdieren) Bos primigenius op Wikispecies de uitgestorven voorouder van het tamme rund
    • Koning Clovis trachtte de oeros te beschermen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders
54 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen