moderniseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·der·ni·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘modern maken’ voor het eerst aangetroffen in 1816 [1]
  • afgeleid van het Franse moderniser (met het achtervoegsel -iseren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
moderniseren
moderniseerde
gemoderniseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

moderniseren

  1. overgankelijk modern maken
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen