updaten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • up·da·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
updaten
updatete
geüpdatet
zwak -t volledig

Werkwoord

updaten

  1. overgankelijk, (informatica) actueler maken, bijwerken
    • Kan dat bedrijf alle programma's op alle computers voor ons updaten? 
Synoniemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen