missen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet treffen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
missen
miste
gemist
zwak -t volledig

Werkwoord

missen

  1. overgankelijk niet raken, niet treffen
    • Zijn doel missen. 
  2. niet halen
    • De bus missen. 
    • De boot missen (ook figuurlijk). 
  3. zich vergissen
    • Missen is menselijk. 
  4. niet hebben, ontbreken
    • Een album van een stripreeks missen. 
     De outfit komt 'met alle toeters en bellen', inclusief de aanpassingen die Whitney zelf heeft gedaan. In het grijze pak dat de zangeres onder de outfit droeg, zitten zelfs nog wat gaten die er tijdens de opnames zijn ingekomen. Ook missen er daardoor wat chromen balletjes die aan het pak zaten.[2]
  5. ontberen
    • Die opmerking mist elke grond. 
  6. de afwezigheid voelen van
    • Ik mis je elke dag een beetje meer. 
    • Ik kan hem missen als kiespijn. 
  7. afwezig zijn bij
    • Dat concert wil ik voor geen geld missen. 
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: gissen doet missen / gissen is missen
als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout
  • [6]: Iemand/iets node missen.
Door afwezigheid in nood gebracht worden.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

missen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord mis

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen