missen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
missen
miste
gemist
zwak -t volledig

Werkwoord

missen

  1. overgankelijk niet raken, niet treffen
    • Zijn doel missen. 
  2. niet halen
    • De bus missen. 
    • De boot missen (ook figuurlijk). 
  3. zich vergissen
    • Missen is menselijk. 
  4. niet hebben
    • Een album van een stripreeks missen. 
  5. ontberen
    • Die opmerking mist elke grond. 
  6. de afwezigheid voelen van
    • Ik mis je elke dag een beetje meer. 
    • Ik kan hem missen als kiespijn. 
  7. afwezig zijn bij
    • Dat concert wil ik voor geen geld missen. 
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: gissen doet missen / gissen is missen
als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout
  • [6]: Iemand/iets node missen.
Door afwezigheid in nood gebracht worden.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

missen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord mis

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie