Naar inhoud springen

miste

Uit WikiWoordenboek
  • mis·te
  • mist met de uitgang -e
vervoeging van
missen

miste

  1. enkelvoud verleden tijd van missen
    • Ik miste. 
    • Jij miste. 
    • Hij, zij, het miste. 
     Hij had jaren gespaard om de PCT te kunnen lopen en – ook al miste hij zijn dochter – niks kon hem tegenhouden om Canada te bereiken.[1]
     Hij belde me eens per week vanuit New York, zei dat hij me miste en vroeg me waarom ik niet naar hem toe kwam - maar ik was waar ik wilde zijn, en eerlijk gezegd zou ik mijn werk meer hebben gemist dan ik Lawrie miste.[2]
     Tijdens onze eerste ontmoeting op de smalle overloop van dat hotel in Le Puy-en-Velay had hij moeten vertellen wie hij was, maar hij zweeg en miste het moment, waarna zijn leugen al was geboren.[3]
vervoeging van
misten

miste

  1. aanvoegende wijs van misten

miste

  1. verbogen vorm van de overtreffende trap van mis
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280


  • mis·te
  • Afgeleid van het Oudnoorse voltooid deelwoord mist, dat van het Oudnoorse werkwoord misse komt.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
miste
mister
mistet
mista
mistet
mista
Klasse 1 zwak

miste

  1. inboeten, verliezen
  2. missen (mislopen)
  • [2]: miste bussen
de bus missen
  • [1]: miste livet
het leven inboeten, doodgaan, omkomen, overlijden
  • [1]: Vi har ingen tid å miste. (Vi må skynde oss.)
We hebben geen tijd te verliezen. (We moeten opschieten.)


  • mis·te
  • Afgeleid van het Oudnoorse voltooid deelwoord mist, dat van het Oudnoorse werkwoord misse komt.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
miste
mistar
mista
mista
Klasse 1 zwak optioneel
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
miste
mister
miste
mist
Klasse 2 zwak optioneel

miste

  1. inboeten, verliezen
  2. missen (mislopen)
  • [2]: miste bussen
de bus missen
  • [1]: miste livet
het leven inboeten, doodgaan, omkomen, overlijden
«Minst 16 menneske mista livet då eit passasjertog køyrde inn i eit godstog i India tidleg måndag.»
Ten minste 16 mensen zijn omgekomen toen maandagochtend in India een passagierstrein in een goederentrein gebotst is.
  • [1]: Vi har inga tid å miste. (Vi må skunde oss.)
We hebben geen tijd te verliezen. (We moeten opschieten.)